Logo Abeln Advocaten

Artikel 24 van de WOR als middel om je invloed als OR te doen gelden.

Beleefd afwachten of het de ondernemer behaagt om een voorgenomen besluit voor advies of instemming voor te leggen hoeft de OR zeker niet. De OR kan al in een vroeg stadium in actie komen. Artikel 24 van de WOR helpt de OR daarbij. Waarbij commissarissen, bestuursleden of bestuurders van de moedervennootschap acte de presence moeten geven. Op naar de assertieve OR en pro-actieve ondernemer!

 

De wet op de ondernemingsraden (WOR) kent een hele serie besluiten waarvoor de ondernemer voorafgaand advies aan de OR moet vragen. Voorbeelden: de overdracht van de zeggenschap over de onderneming, beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming, een belangrijke wijziging in de organisatie. Zo’n besluit hoeft pas voor advies aan de OR voorgelegd te worden als het voldoende concreet is. Als de besluitvorming nog in een vrijblijvende planfase zit, hoeft de ondernemer nog geen advies te vragen.

 

De WOR kent ook een hele serie besluiten waarvoor de ondernemer de voorafgaande instemming van de OR nodig heeft: zoals besluiten over de vaststelling, wijziging of intrekking van een pensioenregeling, een arbeidstijdenregeling, vakantieregeling, of een  belonings- en functiewaarderingssysteem.

 

Ook voor een dergelijk besluit hoeft pas instemming te worden gevraagd als het voldoende concreet is. En ook hier geldt dat door de ondernemer nog geen instemming hoeft te worden gevraagd als de zaak zich nog in een vrijblijvende planfase bevindt.

 

Voor de OR is dat vaak frustrerend. Als OR wil je immers graag zo vroeg, snel en volledig mogelijk op de hoogte zijn van plannen die de ondernemer heeft.  En niet pas als die plannen al panklaar voor advies of instemming aan je worden voorgelegd.

 

Ze zijn er,  ondernemers die actief en vroegtijdig informatie aan hun OR verschaffen. Maar er zijn er helaas ook genoeg die de neiging hebben hun kaarten zo lang mogelijk voor de borst te houden. En dat komt des te vaker voor als de onderneming waarvan de OR OR is, een dochteronderneming is, en beslissingen weliswaar in naam van het bestuur van de dochter afkomstig zijn, maar het in feite het bestuur van de moeder is dat aan de touwtjes trekt.

 

Al te vaak steekt de bestuurder van de dochter krachteloos de handen in de lucht met de mededeling dat hij ook maar doet wat hem door “van boven” wordt opgedragen: “Beste OR, wacht maar tot de advies- of instemmingsaanvraag op jullie deurmat ligt”. Wat bij de tot dan toe in het duister dolende OR van de dochter tot geween en knersen der tanden leidt.

 

Maar zover hoeft het niet te komen. Artikel 24 van de WOR biedt daarvoor een oplossing voor, althans een goed begin ervan. En het is verstandig daar als OR actief gebruik van te maken.

 

Wat zegt dat WOR-artikel 24? Minstens twee keer per jaar, het kan dus ook vaker, moet in een overlegvergadering tussen OR en ondernemer “de algemene gang van zaken van de onderneming” worden besproken.

 

De OR doet er verstandig tijdens die vergaderingen aan de ondernemer het hemd van het lijf vragen. De ondernemer is op grond van dat wetsartikel verplicht om opening van zaken te geven. Niet alleen over “de algemene gang van zaken” maar ook specifiek over adviesplichtige en instemmingsplichtige besluiten die de ondernemer “in voorbereiding heeft” . Dat wil zeggen: besluiten die zich nog bevinden in de vrijblijvende planfase. Bovendien, zo schrijft de artikel 24 voor, moeten tijdens die overlegvergadering afspraken gemaakt worden over wanneer en hoe de OR door de ondernemer in de besluitvorming wordt betrokken. Het is verstandig om, wanneer je als OR die afspraken maakt, die ook schriftelijk vast te leggen.

 

Kortom, minstens tweemaal per jaar die overlegvergadering over die “algemene gang van zaken”. Waarbij en dat is heel belangrijk, het niet meer voldoende is dat de ondernemer zich laat vertegenwoordigen door de OR-bestuurder (meestal: de directeur), degene met wie de OR doorgaans te maken heeft.

 

Als de onderneming beschikt over commissarissen, verplicht de WOR die commissarissen op de betreffende overlegvergadering te verschijnen. Heeft de onderneming als rechtsvorm de vereniging dan moeten de bestuursleden van de vereniging opdraven bij deze overlegvergaderingen.

 

Maar wat - en dat komt maar al te vaak voor - als je de OR bent van een dochteronderneming, waarbij de koers ogenschijnlijk door dochter zelf, maar feitelijk door de moeder wordt bepaald. Een OR wil dan graag eveneens weten hoe de moeder erover denkt en wat voor plannen zij voor dochterlief in petto heeft. In dat geval geldt de verschijnplicht tijdens de twee hierboven genoemde overlegvergaderingen voor de bestuurders van de moeder.

 

Overigens mogen de met een verschijnplicht belaste commissarissen, bestuursleden en bestuurders zich door iemand anders laten vertegenwoordigen. Maar daar zit wel een beperking aan, zoals uit het volgende praktijkvoorbeeld blijkt.

 

Bestuurders van een moedervennootschap, die door de OR van de dochter waren gewezen op hun verschijnplicht, trachtten zich daaraan te onttrekken door een handigheidje: namelijk door te zeggen dat de OR-bestuurder (directeur) van de dochter, met wie de OR in elk geval al zou moeten overleggen, tegelijk als vertegenwoordiger van de bestuurders van de moeder zou fungeren.

 

Aardig bedacht, maar die vlieger ging niet op.  Uiteraard moet de vertegenwoordiger van de bestuurders van de moeder wel iemand zijn die in hiërarchie boven het bestuur van de dochter is geplaatst. Met andere woorden: het moet gaan om degene die de feitelijke beslissingen neemt of degene die een beslissingen van het bestuur van de dochter moet goedkeuren. Dit systeem is ook van toepassing als de moeder een buitenlandse vennootschap is.

 

De verschijnplicht van commissarissen, bestuursleden en bestuurders (met de mogelijkheid om zich door iemand anders te laten vertegenwoordigen) geldt ook in een ander stadium. Namelijk bij de verplichte overlegvergadering die altijd moet plaatsvinden voordat de OR advies uitbrengt over een besluit dat de ondernemer voor advies aan de OR heeft voorgelegd.

 

Ook voorafgaand aan de beslissing van de OR op een door de ondernemer ingediend instemmingsverzoek hoort altijd een overlegvergadering plaats te vinden. Maar bij die vergadering hoeven commissarissen, bestuursleden en bestuurders (of een vertegenwoordiger daarvan) niet verplicht te verschijnen. Wat niet wegneemt dat het de OR vrijstaat om een of meer van deze functionarissen uit te nodigen om naar de vergadering te komen. Genoeg mogelijkheden dus om vroegtijdig aan essentiële informatie te komen.

 

 

Vorige pagina