Logo Abeln Advocaten

Beroepstermijn en koude kermis

Goed en informeel overleg tussen ondernemer en OR kan belangrijk zijn. Maar dat neemt niet weg dat het zeer onverstandig is om de formele bepalingen van de WOR uit het oog te verliezen. Wees als OR alert: let er altijd op dat u als OR uw adviesrecht niet verspeelt. Hoe dat kan gebeuren? Door te traag te reageren. Door niet tijdig advies te geven. Door af te zien van het geven van advies. Of door niet tijdig beroep aan te tekenen.

Mondeling advies

Realiseer u dat een ondernemer een voorgenomen adviesplichtig besluit schriftelijk dient voor te leggen aan de OR, maar dat dat schriftelijkheidsvereiste niet geldt voor het door de OR te geven advies. Ook een mondeling gegeven advies kan als volwaardig advies worden beschouwd.

Niet goed opgelet: beroepsrecht verspeeld

Hoe een OR door onhandig en niet alert optreden zijn mogelijkheden om medezeggenschap uit te oefenen verspeelde bleek uit de zaak die de OR van het Centrum voor Baan en Beroep (CBB) in Heerlen in het voorjaar van 2014 aanspande bij de Ondernemingskamer in Amsterdam.

De Stichting Arcus was een in Heerlen gevestigd ROC. Deze stichting had Arcus Holding opgericht. Die holding was weer de eigenaar van het Centrum voor Baan en Beroep, een instelling die zich bezig hield met onder meer coaching, trainingen en leer-werktrajecten.

Met dat CBB ging het financieel zo slecht dat in het najaar van 2013 door (de moedermaatschappijen en door) het CBB besloten werd om te laten onderzoeken of het CBB kon worden overgedaan aan een andere partij. Dat bleek geen haalbare optie te zijn. De conclusie van de ondernemer was dat een liquidatie van het CBB het enige haalbare alternatief was.

Advies gevraagd

Op 5 november 2013 vroeg de bestuurder van het CBB aan de OR om advies uit te brengen over het voorgenomen besluit tot liquidatie van het CBB. De situatie, aldus de bestuurder, was zeer ernstig. Haast was geboden. De bestuurder wilde daarom graag binnen een week het advies van de OR hebben ontvangen.

Omdat dat advies binnen die week niet kwam, stuurde de bestuurder op 12 november 2013 nog een rappèl, waarin de OR opnieuw tot spoed werd gemaand. Volgens de bestuurder zou een snelle liquidatie ook van groot belang zijn voor de CBB- werknemers. Die konden als de knoop snel werd doorgehakt nog een fatsoenlijke afvloeiingsregeling krijgen. Wt niet meer mogelijk was als het allemaal nòg langer ging duren. De OR? Die bracht nog steeds geen advies uit.

Geen advies. OR wel akkoord met voorbereiding ontslagaanvragen

Wel vond er op 6 december 2013 een overlegvergadering plaats tussen bestuurder en OR. Daarbij ging de OR, vooruitlopend op het uitbrengen van zijn advies(!), alvast akkoord met het voorbereiden van de ontslagaanvragen die bij het UWV moeten worden ingediend. Zodat, als de OR zijn advies zou hebben  uitgebracht en het CBB naar aanleiding daarvan zijn besluit had genomen, er niet langer gewacht hoefde te worden met het indienen van de ontslagaanvragen. Maar een advies van de OR bleef uit.

Mondeling, negatief advies

Op 16 december 2013 vond een bijeenkomst plaats van directie, OR en werknemers over de beëindiging van de activiteiten van het CBB. Tijdens die bijeenkomst bracht de OR mondeling negatief advies uit. De OR legde ook uit waarom.

Op 18 december 2013 stuurde de CBB-bestuurder een brief aan de OR met het verzoek om zijn op 16 december mondeling gegeven advies alsnog zo snel mogelijk op papier te zetten.

Bestuurder meldt dat besluit genomen is. Opschortingstermijn

De bestuurder meldde verder in die brief dat het besluit om het CBB te liquideren inmiddels op 16 december was genomen. Met dien verstande dat hij vanaf die datum (conform artikel 25 lid van de WOR) een maand in acht zou nemen, vóórdat hij het besluit zou uitvoeren. En de OR? Die bleef wederom stil zitten: de schriftelijke versie van het al mondeling gegeven advies bleef uit. Op 9 januari 2014 trok de CBB-bestuurder nog een keer per brief aan de bel bij de OR: “OR, ik wijs u erop dat ik het besluit tot liquidatie op 16 december mondeling en bij brief van 18 december schriftelijk genomen heb genomen. Ik wijs u er ook op dat ik het besluit tot 16 januari heb opgeschort.”

Advies op schrift

En dan eindelijk, op 10 januari 2014 kwam de OR met zijn op 6 januari gedateerde schriftelijke, negatief advies. Waarna vervolgens de bestuurder van CBB de ontvangst meldde van “de schriftelijke bevestiging van uw op 16 december 2013 gegeven mondelinge negatieve advies”. En het CBB doorging met de uitvoering van het besluit om het CBB te liquideren.

Beroep bij Ondernemingskamer

Op 10 februari 2014 tekende de OR, die het daarmee niet eens was, bij de Ondernemingskamer beroep aan tegen het besluit tot liquidatie. Dat door de OR aangevochten besluit zou, althans volgens de OR, op 9 januari en 4 februari 2014 zijn genomen en toegelicht.

OR vangt bot

Maar helaas kwam de OR van een koude kermis thuis. De Ondernemingskamer weigerde het beroep te behandelen en verklaarde de OR niet-ontvankelijk in zijn verzoek. De OR was te laat in beroep gekomen.

Oordeel Ondernemingskamer

Kort samengevat motiveerde de Ondernemingskamer zijn afwijzing als volgt: “OR, u hebt tijdens de bijeenkomst op 16 december 2013 mondeling een gemotiveerd negatief advies uitgebracht over het voorgenomen besluit tot liquidatie van de onderneming. Vervolgens heeft CBB diezelfde 16 december u laten weten geen andere keus te hebben dan het besluit te nemen en uit te voeren. Hoewel het CBB haar besluit schriftelijk heeft bevestigd op 18 december, had u als OR moeten begrijpen dat het mondelinge besluit al op 16 december was genomen.”

OR te laat

Met andere woorden: de OR had voor 16 januari beroep moeten aantekenen. Door dat niet te doen, maar daarmee te wachten tot 10 februari was de OR te laat.

 

Ondernemingskamer hecht belang aan mondelinge besluitvorming

Let in dit geval ook op het feit dat de Ondernemingskamer gewicht toekent aan de datum waarop het besluit mondeling was genomen. Terwijl artikel 25 lid 6 van de WOR eist dat de ondernemer de OR – nadat die advies heeft uitgebracht – de OR schriftelijk van zijn besluit in kennis stelt; terwijl de maand opschortingstermijn volgt op de datum van in-kennisstelling.

Advies

Houd als OR de maand beroepstermijn van artikel 26 lid 2 van de WOR strak in de gaten! Stelt u te laat beroep in, dan zijn uw kansen definitief verkeken. Wordt tijdig beroep ingesteld, dan betekent dat uiteraard niet dat de procedure bij de Ondernemingskamer per definitie moet worden doorgezet. Veel zaken worden geschikt. Als er overleg over een oplossing in der minne tot stand komt kan de zaak worden verdaagd (aangehouden), en – als OR en ondernemer het eens zijn geworden – worden ingetrokken.

 

Uitspraak Ondernemingskamer 3-4-2014

zaaknr. 200.141.563/01 OK

Volgende pagina