Logo Abeln Advocaten

Ondernemer mag OR niet voor voldongen feiten stellen. Advies moet vóóraf worden gevraagd. En: OR moet ook al kunnen adviseren bij door ondernemer aan onderzoeksbureaus te geven adviesopdrachten

Een ondernemer die zijn onderneming van de hand wil doen, doet er verstandig aan de rechten van de OR serieus dient te nemen. Met het negeren van de medezeggenschap maakt de Ondernemingskamer korte metten, zoals blijkt uit een uitspraak van de Ondernemingskamer van 10 oktober 2017.

Uniface B.V. is de leverancier van een bedrijfssoftware-applicatietool. De aandeelhouders wilden Uniface B.V. verkopen. Zo’n besluit is een besluit tot overdacht van zeggenschap over de onderneming. De OR van Uniface B.V. had dus het recht om voor zo’n besluit wordt genomen advies uit te brengen. Daarover was tussen OR en ondernemer geen geschil.

Aan de OR werd op 14 februari 2017 allereerst advies gevraagd over een herfinanciering van Uniface B.V., zodat die voortaan als stand-alone-bedrijf kon opereren. Daarover adviseerde de OR, zij het onder voorwaarden, positief.

Op 28 april 2017 diende Uniface bij de OR een summiere, volledig in het Engels geformuleerde adviesaanvraag in over een voorgenomen besluit tot verkoop van het bedrijf. De ondernemer noemde die verkoop een “direct or indirect change of control”. Verder werd advies gevraagd over een besluit tot het treffen van een zgn. kredietarrangement. Er bleek al een aspirant koper te zijn.

Daar nam de OR geen genoegen mee. Op 10 mei 2017 vroeg de OR om een Nederlandse vertaling van de adviesaanvraag. En de OR vroeg aan Uniface  om expliciet aan te geven wat de beweegredenen voor het besluit waren, en of er ook alternatieven waren onderzocht. De OR wilde ook weten welke effecten het besluit zou hebben, en wat de gevolgen voor personeel zouden zijn. De OR wees erop dat een financiële onderbouwing ontbrak. We beschikken slechts over een beschrijving op hoofdlijnen, luidde de klacht van de OR

Uniface verschafte vervolgens informatie, maar zónder onderliggende stukken. De concept-koopovereenkomst kreeg de OR niet te zien. Uniface vond het verstrekken daarvan “niet relevant voor de rechten van de OR op grond van de wet op de ondernemingsraden”.

De OR had genoeg van het gesol met zijn recht op medezeggenschap. Op 23 mei 2017 adviseerde de OR negatief. Uniface ging onverdroten door: ondanks het negatieve advies van haar OR besloot zij op 5 juli 2017 tot overdracht van aandelen, en daarmee tot de verkoop van de onderneming aan de koper die zij al langer op het oog had. De OR accepteerde dat niet en ging in beroep bij de Ondernemingskamer. De OR voerde de procedure niet alleen tegen Uniface maar betrok ook de ondernemingen die de aandelen van Uniface hielden, in de procedure. Want zij waren het die de uiteindelijke zeggenschap hadden over Uniface en een eventuele verkoop van het bedrijf.

Er bleek al veel meer gebeurd te zijn, zonder dat OR daarbij was betrokken, laat staan daarvan op de hoogte was. Al in mei 2016 had Uniface een adviesopdracht gegeven aan een financieel adviseur om een mogelijke verkoop voor te bereiden. Eveneens in mei 2016 kreeg – zonder dat de OR daarbij was betrokken of daar iets van wist – een extern bureau de opdracht tot het verrichten van een due diligence onderzoek met het oog op de beoogde verkoop. Bovendien bleek Uniface in de periode juni tot en met september 2016 maar liefst 153 partijen te hebben benaderd om ze voor een aankoop te interesseren. En in november en december 2016 werden met het oog op de beoogde verkoop nog eens twee adviesopdrachten verstrekt aan externe bureaus. Zonder dat de OR daarover om advies was gevraagd. Zonder dat de OR daar weet van had.

Intussen probeerde Uniface haar OR in slaap te sussen: “Nee hoor, de zaak bevindt zich nog in een pril stadium, we zijn hooguit bezig met verkennend onderzoek, en er is nog geen enkele concrete kandidaat-koper”.

Wat waren de redenen voor de OR om negatief te adviseren en, toen Uniface toch doorzette, de argumenten van de OR om in beroep te gaan bij de Ondernemingskamer?

De OR gaf aan dat hij geen wezenlijke invloed op de besluitvorming had gehad. De OR vond dat hij ten onrechte niet om advies was gevraagd bij verstrekken van adviesopdrachten. Er was geen tijdig overleg geweest, terwijl dat wel had gemoeten. De adviesaanvraag was niet gedocumenteerd, de informatieverstrekking ontoereikend. Kortom, zo vond de OR, het hele medezeggenschapstraject deugde niet.

De Ondernemingskamer gaf de OR op alle punten gelijk. Want, aldus de Ondernemingskamer: wezenlijke invloed moet voorafgaand aan het besluit kunnen worden uitgeoefend. Krijgt de OR niet de gelegenheid om advies te geven bij verstrekken van adviesopdrachten aan derden? Dan is er een belangrijke medezeggenschaps-slag gemist. De OR was onterecht in het ongewisse gelaten. De OR was onterecht pas geïnformeerd op het moment dat biedingsproces al afgelopen was, en er nog maar één aspirant koper was.

Uniface en haar aandeelhouders bleken het wel heel bont te hebben gemaakt. Want toen Uniface op 28 april 2017 om advies vroeg lag er al een twee dagen daarvoor met de koper van het bedrijf gesloten koopovereenkomst. Die bevatte de clausule dat als de OR binnen 30 dagen na adviesaanvraag geen advies had uitgebracht, dat zou worden beschouwd als negatief advies en verkoper en koper verder zouden gaan met de uitvoering van de koopovereenkomst.

Terwijl de OR van die clausule niets wist. Hij had immers de hele koopovereenkomst niet te zien gekregen. Toch beweerde Uniface met droge ogen dat de rechten van de OR voldoende waren gewaarborgd. Daar was de Ondernemingskamer het absoluut niet mee eens.

Andere redenen waarom de OR door de Ondernemingskamer in het gelijk werd gesteld: de adviesaanvraag was niet gedocumenteerd, onderliggende stukken ontbraken. En voor zover stukken wel waren verstrekt, diende de OR daar op een onredelijk korte termijn op te reageren. Dat Uniface de concept-koopovereenkomst niet aan de OR had verstrekt, vond de Ondernemingskamer onacceptabel. Kortom, het gehele medezeggenschapstraject was onzorgvuldig verlopen.

De Ondernemingskamer oordeelde dat het besluit om Uniface te verkopen onredelijk was. Uniface en haar drie aandeelhouders (de bedrijven die eigenlijk over het lot van Uniface beslisten, “mede-ondernemers”) werden verplicht om het besluit in te trekken en de gevolgen ongedaan te maken. De rechter accepteerde niet dat de OR buitenspel werd gezet.

 

Vorige pagina
Volgende pagina